![]() |
![]() ![]() |
Portfolio van <Aissar el Haik >
|
Handleiding Buitenschools Leerprogramma
|
|
||
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
Martine Mulder |
|
|
|
||
2 Achtergrond Buitenschools Leerprogramma
3 Uitgangspunten vanuit de ATM
3.1 Uitgangspunten voor de werkplek
3.2 Uitgangspunten tav de werkgever
4 Wat wordt van de student verwacht?
5 Competentiegericht onderwijs
5.1.2 Tabblad 2 Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP)
5.1.3 Tabblad 3 tot 9 Bewijsvoering competenties
5.1.4 Bijlagen en belangrijke documenten
Bijlage 1 Uitwerking Procescompetenties
Bijlage 2 Tabblad 1: beginsituatie
2.2 Overzicht gevolgde scholing (na basisonderwijs)
2.3 Overzicht gevolgde cursussen / trainingen
2.4 Overzicht werkervaring: betaald -, vrijwilligers-, thuiswerk & hobby’s
2.5 Verworven werk- en leerervaringen in relatie tot de deeltijdopleiding
Bijlage 4 Tabblad 3 - 9: Bewijsvoering competenties
Bijlage 5 Rapportageformulier mentorgesprekken..
Bijlage 6 Formulier toekenning EVC studiepunten
Bijlage 7 Statusformulier competentieniveau
Bijlage 7 Tips voor het schrijven van een Portfolio
Welkom in het tweede jaar van de deeltijdopleiding bij de Academie voor Technologie en Management (ATM). De handleiding die nu voor je ligt geeft informatie over het buitenschools leerprogramma dat plaatsvindt tijdens het tweede en derde studiejaar van je opleiding.
Het deeltijdonderwijs van de ATM kenmerkt zich door de combinatie van studeren op school, werken in de beroepspraktijk en leren op beide plekken. De opleiding kent dan ook een binnenschools en een buitenschools deel. Het binnenschools deel is het onderwijs dat je bij de ATM volgt. Het buitenschools deel speelt zich af in de beroepspraktijk en biedt ruimte tot individuele profilering. Dit programma omvat 30 EC (European Credits, ofwel studiepunten). In het tweede en derde studiejaar van de opleiding wordt er zowel in het binnenschoolse leerprogramma als in de beroepspraktijk gewerkt aan de ontwikkeling van competenties.
In deze handleiding wordt de visie op de (betekenis van de) beroepspraktijk van de studerende werknemer beschreven. Ook is er aandacht voor zowel de inhoud als de eisen en regels van het buitenschoolse leerprogramma. Tot slot legt deze handleiding uit wat competentieontwikkeling betekent en op welke manier je hierover rapporteert in een portfolio. In de bijlagen tref je hier hulpmiddelen voor aan.
De combinatie van werken en leren is essentieel voor deeltijdopleidingen bij de ATM. Het gelijktijdig werken in de praktijk biedt studenten ervarings- en leermomenten die aanvullend zijn op het binnenschools leerprogramma en die wezenlijk zijn voor de professionele vorming. Studenten verbreden en verdiepen in de praktijk de kennis en vaardigheden die ze in het binnenschoolse leerprogramma hebben opgedaan. Om als ingenieur aan de slag te kunnen is het belangrijk om te weten welke kennis, vaardigheden en houding je als afgestudeerd HBO-er moet beheersen. Om op dit niveau te komen, zul je gedurende de opleiding heel bewust bezig moeten zijn met de ontwikkeling van jezelf als persoon, medewerker en student.
Daarnaast verruimt de combinatie van studie en werk het inzicht van de student in zowel de discipline (studierichting) als de eigen ontwikkeling. De praktijkervaring stelt studenten namelijk in staat om de relevantie van het onderwijs te beoordelen en omgekeerd biedt het onderwijs studenten een kritische blik op de kwaliteit van hun eigen werk en werkomgeving.
Bij competenties gaat het om het samengaan van kennis, vaardigheden en houding om adequaat te functioneren in een praktijksituatie. Om in aanmerking te komen voor de graad Bachelor of Engineering, moet de student beschikken over meerdere competenties. Deze competenties bestaan voor de deeltijdopleidingen uit proces- en productcompetenties. De productcompetenties maakt de student zich eigen in het binnenschools leerprogramma. Hier wordt gewerkt aan het opbouwen van gedegen kennis en vaardigheden in het door hem gekozen vakgebied. In de beroepspraktijk werkt de student expliciet aan de procescompetenties. Het uiteindelijke doel is dat studenten op een adequate wijze in de praktijk functioneren.
De ATM kent zeven procescompetenties waaraan gewerkt wordt in het buitenschools leerprogramma. Deze procescompetenties zijn onderverdeeld in drie categorieën:
Zelfsturende competenties;
- Zelfsturend leren en werken
Sociale en communicatieve competenties;
- Samenwerken
- Communiceren
Algemene competenties;
- Plannen en organiseren
- Probleemanalyse maken
- Omgevingsbewust handelen
- Professioneel handelen
De student ontwikkelt zijn zelfsturende competentie door het opstellen en onderhouden van een portfolio. De ontwikkeling van de overige zes procescompetenties vindt plaats in zijn beroepspraktijk. Wat deze competenties precies inhouden is weergegeven in bijlage 1.
Alle studenten worden dus geacht om in de praktijk aan bovenstaande competenties te werken. De wijze waarop een student zich in de praktijk ontwikkelt, zal echter per individu verschillen. Het is afhankelijk van uiteenlopende factoren als het aanvangsniveau, interesses, inzet en ambitie van een student, maar evenzeer van de aard van de werkzaamheden, de kwaliteit van de werkomgeving en de kansen die een student geboden worden. Om die reden is het moeilijk om een fasering per studiejaar van de ontwikkeling van een student als een algemeen geldende standaard te formuleren. Toch is het wel wenselijk om student en mentor enig houvast te geven in de vaststelling en beoordeling van de tussentijdse ontwikkeling. Om deze reden is er een voorkeurstraject opgezet (zie tabel 1) voor het tweede en derde leerjaar, waarin de student op een verantwoorde manier kan werken aan zijn competentieontwikkeling. Dit traject is echter niet verplicht. Een student kan zelf een eigen invulling geven aan de volgorde waarin hij zijn competenties ontwikkelt, mits toegelicht in het portfolio. Het is de bedoeling dat studenten alle procescompetenties aan het einde van het derde leerjaar op tenminste niveau 2 hebben ontwikkeld.
Tabel 1 Voorkeurstraject buitenschools leerprogramma tweede en derde leerjaar
|
|
Jaar 2 sem 1 |
Jaar 2 sem 2 |
Jaar 3 sem 1 |
Jaar 3 sem 2 |
|
Zelfsturende competenties |
|
|
|
|
|
Z1 Zelfsturend leren en werken |
1 |
1 |
2 |
2 |
|
|
|
|
|
|
|
Sociale en communicatieve competenties |
|
|
|
|
|
SC1 Samenwerken |
1 |
2 |
|
|
|
SC2 Communiceren |
1 |
|
2 |
|
|
|
|
|
|
|
|
Algemene competenties |
|
|
|
|
|
A1 Plannen en organiseren |
1 |
|
2 |
|
|
A2 Probleemanalyse maken |
|
1 |
|
2 |
|
A3 Omgevingsbewust handelen |
|
1 |
|
2 |
|
A4 Professioneel handelen |
|
|
1 |
2 |
De vrijheid van de student en de nadruk op de individuele leervragen mag echter niet leiden tot vrijblijvendheid. Daarom wordt van iedere student verwacht dat deze kan aangeven waarom zijn beoogde ontwikkelingslijn de noodzakelijk, kennis, vaardigheden en inzichten zullen opleveren, waarom ze van voldoende niveau zullen zijn en dat ze binnen de gegeven studietijd behaald zullen worden. De student legt een en ander vast op schrift in zijn portfolio (zie hoofdstuk 5.1) en bespreekt deze regelmatig met een mentor.
De beroepspraktijk maakt, als buitenschool leerprogramma, deel uit van de deeltijdopleidingen aan de ATM. Doel en inhoud van dit leerprogramma wordt door de academie geformuleerd en vormen het kader waarbinnen de student vorm geeft aan zijn eigen praktijk, als onderdeel van de opleiding. De academie begeleidt en beoordeelt, tussentijds en afsluitend, de beroepspraktijk en de ontwikkeling van de student.
Een uitgangspunt voor de inschrijving aan een deeltijdopleiding aan de ATM is dat de student in de beroepspraktijk werk verricht op een voor de opleiding relevante werkplek. Het is mogelijk dat een student bij aanvang van de studie nog niet voor de opleiding aanvaardbare werkzaamheden verricht. Voor de start van het tweede leerjaar dient de student echter over een relevante werkplek te beschikken.
- Van de werkplek wordt verwacht dat er sprake is van een stimulerende en uitdagende werkomgeving met voldoende voorwaarden voor de student om zich te ontwikkelen tot een adequaat handelende beroepsbeoefenaar.
- Van de werkplek wordt verwacht dat de infrastructuur van voldoende niveau is: beschikbaarheid van vakliteratuur, documentatie over regelgeving en materialen, mogelijkheid tot discussie over het vak etc.
- Om tot een evenwichtige verhouding tussen studie en werk te komen wordt uitgegaan van een werkweek van minimaal 20 uur.
- De mentor kan een student adviseren om een ander werkplek te zoeken als het type organisatie of de aard van de kwaliteit van de werkzaamheden of een combinatie van beide niet voldoende bijdragen aan de gewenste ontwikkeling.
In de visie van de ATM worden werkgevers tot niets verplicht. Het contact over de praktijksituatie en de ontwikkeling van een student loopt normaal gesproken via de student en vindt plaats op de academie.
De rol van de werkgever is niet vastgelegd in een onderwijsarbeidovereenkomst. Er is wel sprake van een formele relatie tussen werkgever en student, namelijk een reguliere arbeidsverhouding. De student is tegelijk werknemer. De academie respecteert deze arbeidsrelatie en staat hier buiten. Niettemin verwacht de opleiding wel dat de werknemer/student in de praktijk de noodzakelijke kennis en vaardigheden opdoet en zich ontwikkelt tot Bachelor of Engineering.
Uiteraard realiseert de academie zich dat er tal van situaties denkbaar zijn waarin de belangen van de werkgever niet parallel lopen met die van de werknemer/student. Uiteenlopende factoren als de omvang van de organisatie, de aard en omvang van opdrachten, de economische situatie en tijdsdruk kunnen de ontwikkelingsmogelijkheden van medewerkers tijdelijk of structureel beperken. De academie heeft er vanzelfsprekend begrip voor, maar kan tegelijk de opleidingseisen daar niet ondergeschikt aan maken.
In het praktijkdeel van de opleiding vormt de zelfsturing van de student een belangrijk uitgangspunt. De student geeft zelf vorm aan zijn ontwikkeling in de praktijk en bewaakt en ontwikkelt zijn eigen kwaliteitsniveau. Dat geeft de student veel vrijheid, maar ook verantwoordelijkheid. Hij zorgt zelf, in overleg met de opleiding, voor een relevante beroepspraktijk die bijdraagt aan zijn deeltijdopleiding. Daarbij moet hij rekening houden met de kaders die de opleiding stelt.
Dit betekent dat de student:
- Verantwoordelijk is voor de inhoud en de voortgang van zijn beroepspraktijk.
- Zorgt voor een werkplek die voldoet aan de eisen die de opleiding daar aan stelt.
- Zorgt voor een vruchtbare wisselwerking tussen binnenschools en buitenschools leerprogramma.
De student mag verwachten dat de opleiding:
- Adequate faciliteiten biedt om de student in staat te stellen de combinatie van werken en leren optimaal te benutten.
- Heldere regels hanteert voor de wijze waarop de praktijk van een student (tussentijds) wordt beoordeeld.
- De student ondersteuning biedt bij bijvoorbeeld het opstellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan.
De ontplooiing die studenten in hun praktijksituatie moeten realiseren, is in essentie een persoonlijk groeiproces. De kwaliteit van de ontwikkeling wordt dan bepaald door de mate waarin studenten zich daarvoor willen inzetten en er verantwoordelijkheid voor nemen.
Kenmerkend voor de deeltijdopleidingen van de ATM is dat de relatie tussen opleiding en werkgevers niet formeel is vastgelegd. Dit is een bewuste keuze. Het betekent namelijk dat studenten zelf verantwoordelijk zijn voor hun beroepspraktijk. De opleiding biedt studenten wel een inhoudelijk kader, maar daarbinnen moet hij zelf zorgen voor de kwaliteit van de praktijk(werkzaamheden), de eigen vakontwikkeling en het realiseren van een optimale wisselwerking tussen het binnen- en buitenschoolse leerprogramma.
De ATM beschouwt haar studenten als beginnende professionals en spreekt ze ook als zodanig aan. De nadruk op zelfsturing heeft ook alles te maken met de diversiteit van de beroepspraktijk. Werksituaties van studenten lopen sterk uiteen en kennen soms heel verschillende leertrajecten. De opleidingen respecteren deze diversiteit door in de uitwerking van het buitenschools leerprogramma de ontwikkeling van de student als uitgangspunt te nemen. Studenten hebben een eigen positie in de praktijk in te nemen en een koppeling te maken tussen de opleiding op de academie en de opleiding in de praktijk.
De competenties veronderstellen dat een student niet alleen de noodzakelijke kennis, vaardigheden en inzichten heeft verworven, maar deze ook op adequate wijze en in de onderlinge samenhang weet toe te passen in de praktijk. Met andere woorden, dat hij de vermogens heeft ontwikkeld om als Bachelor of Engineering te functioneren. Of een student dat kan valt af te lezen aan het gedrag dat hij in de uitvoering van zijn werkzaamheden vertoont. Het wordt zichtbaar door te kijken naar de gemaakt keuzes die betrekking hebben op zijn leerproces, de verantwoording daarvan en de reflectie daarop. Hiervan doet de student verslag in een portfolio.
Binnen het
competentiegerichte onderwijs van de ATM gaan we uit van de eigen actieve
inbreng van de student. Hij is zelf verantwoordelijk voor wat hij leert en
levert het bewijs voor wat hij kent en kan. Hoe we dat doen, staat in
onderstaand schema.
Figuur 1 Opzet competentiegericht onderwijs
Uitgangspunt is steeds: wat kan je, wat kun je (nog) niet, wat zou je moeten kunnen en wat wil je eigenlijk? In het portfolio worden deze vragen beantwoord. Tijdens de mentorgesprekken staat de competentieontwikkeling en de verslaglegging daarvan centraal.
In een competentiegerichte opleiding bevindt de student zich steeds in de rol van beroepsbeoefenaar. Competenties kun je immers verbeteren door te doen. De student leert wat van een beroepsbeoefenaar wordt verwacht, om zijn eigen prestaties te beoordelen en te evalueren en wordt zich bewust van zijn eigen sterke en zwakke kwaliteiten in verschillende werksituaties.
Het bewijs van zijn kunnen levert de student met behulp van het portfolio. Met hulp van een mentor wordt er een persoonlijk ontwikkelingsplan opgesteld om de competenties die nog zwak zijn te verbeteren. Zowel op de werkplek als op school is een student bezig met zijn ontwikkeling. Samen met de mentor wordt die ontwikkeling beoordeeld en start de cyclus opnieuw.
De essentie is dat je met het portfolio je
studievoortgang en vakbekwaamheid kunt aantonen. Welke procescompetenties heb
je ontwikkeld en wat moet je nog verbeteren? Uit het portfolio blijkt wat je al
gerealiseerd hebt, wat je sterke punten zijn en wat je nog kunt verbeteren. Het
portfolio is echter meer dan een kunstenaarsportfolio: het bevat naast resultaten
van je ontwikkeling ook reflecties op dit leerproces. In het portfolio maak je
jouw leerproces zichtbaar, voor jezelf en je omgeving.
Het samenstellen van een portfolio is niet gemakkelijk. Voor het portfolio
gebruik je een multomap die je met tabbladen onderverdeelt. Wat je allemaal in
deze map verzamelt, staat beschreven in de onderstaande tabel.
Tabel 2 Indeling en inhoud portfolio
|
|
onderwerp |
|
tabblad 1 |
Beginsituatie |
|
tabblad 2 |
Persoonlijk Ontwikkelings Plan (POP) |
|
tabblad 3 |
Bewijsvoering competentie: Zelfsturend leren en werken |
|
tabblad 4 |
Bewijsvoering competentie: Samenwerken |
|
tabblad 5 |
Bewijsvoering competentie: Communiceren |
|
tabblad 6 |
Bewijsvoering competentie: Plannen en organiseren |
|
tabblad 7 |
Bewijsvoering competentie: Probleemanalyse maken |
|
tabblad 8 |
Bewijsvoering competentie: Omgevingsbewust handelen |
|
tabblad 9 |
Bewijsvoering competentie: Professioneel handelen |
|
tabblad 10 |
Bijlagen en belangrijke documenten |
In de volgende paragrafen staat beschreven hoe de verschillende tabbladen met elkaar samenhangen en op welke manier je maximaal gebruik kunt maken van het portfolio. (Zie ook bijlage 2 tot en met 4)
Een onderdeel van het vormen van een portfolio is het vastleggen van de stand van zaken. Het doel hiervan is dat de opleiding informatie ontvangt over jouw loopbaan tot nu toe en je huidige werkplek (status quo). Dit onderdeel van het portfolio beschrijf je aan de hand van vijf formulieren (zie bijlage 2). Deze formulieren hebben betrekking op persoonlijke gegevens, een overzicht van de scholing die je tot nu toe gevolgd hebt, een overzicht van de cursussen en trainingen die je gevolgd hebt en een overzicht van werkervaringen. In het laatste formulier wordt gevraagd om werk- en leerervaringen in relatie tot de opleiding weer te geven. Door middel van deze formulieren wordt inzichtelijk gemaakt met welke capaciteiten je aan het deeltijd traject begint.
Competentiegericht onderwijs gaat er vanuit dat jij als student zelf verantwoordelijk bent voor jouw leerproces. Je bepaalt zelf wanneer, mits in het tweede en derde leerjaar, en hoe je aan de procescompetenties gaat werken. Het persoonlijk ontwikkelingsplan is een instrument dat kan helpen bij het plannen van jouw ontwikkeling. Want behalve het uiteindelijke doel om ingenieur te worden, is ook de manier waarop dat doel bereikt wordt, het proces, van belang.
Het competentieprofiel voor de Bachelor of Engineering dient als basis voor het opstellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan. In dit persoonlijk ontwikkelingsplan geef je aan wat je al beheerst, maar ook welke punten nog aandacht verdienen. In het bijzonder voor de aandachtspunten, dus een competentie die nog niet op voldoende niveau beheerst wordt, dient een plan opgesteld te worden.
Je beschrijft aan welke concrete onderwerpen/ competenties (verbeterpunten, nieuwe leerdoelen) je het komende half jaar (verder) gaat werken. Je bent zelf vrij in de manier waarop je jouw POP opstelt. Ongeacht de aanpak, zal je in het POP altijd enkele essentiële vragen beantwoorden:
-
Aan welke onderwerpen, competenties wil ik (verder)
werken?
(Waarin wil ik investeren?)
- Wat wil ik er mee bereiken?
- Hoe kan ik dit alles het beste uitvoeren of leren (planning!)?
Om je te helpen bij het opstellen van jouw POP, kun je ook per competentie een competentieplan invullen. In dit competentieplan geef je antwoord op de volgende vragen:
- Wat beheers je al met betrekking tot die competentie?
- Wat beheers je nog niet en wil je dus gaan leren?
- Welke activiteiten ga je hiervoor ondernemen?
- Op welke plek/ in welke werksituaties ga je hieraan werken?
- Welke bronnen en ondersteuning gebruik je en verwacht je hierbij?
- In welke periode ga je hieraan werken? (startmoment en verwachte eindmoment)
- Welke bewijsstukken heb je toegevoegd in het portfolio waaruit blijkt dat je (een deel van) de competentie hebt bereikt?
Aan het einde van elk semester zal tijdens het beoordelingsgesprek met de mentor worden gekeken in hoeverre de gestelde doelen, en daarmee wellicht (een deel van) de competentie, zijn behaald. Het oordeel wordt gevormd op basis van het ingeleverde portfolio, waarbij de nadruk ligt op de gevolgde competentieplannen, de bewijsmaterialen en de reflectieverslagen. Tijdens het gesprek maken jullie ook afspraken over de competenties waaraan je in de daaropvolgende periode gaat werken.
Samenvattend in schema:
In tabblad 3 tot 9 worden de algemene plannen uit je POP verder uitgewerkt. Per competentie gaat dat als volgt:
1. SMART(I): Je beschrijft aan de hand van het
SMART(I)-model (zie bijlage 4) hoe je aan de gekozen onderwerpen/competenties
uit je POP gaat werken.
2. Bewijs: Na het opstellen van de
competentieplannen, ga je werken aan het behalen van de competentie. Uiteindelijk
bepaalt jouw mentor of een competentie is behaald. Voor het behalen van elke
afzonderlijke competentie moet je als student daarom bewijs aanleveren.
Voorbeelden hiervan zijn: verslagen en protocollen, een door jou geschreven
programma, door jou opgestelde projectplannen, foto's en video's die tonen hoe
je een vaardigheid toepast, interviews, assessments, werkstukken, zelfbeoordelingen,
een onderbouwde bevestiging van medestudenten of collega’s, enz. De bewijzen bewaar
je in je portfolio.
Aan de hand van de door jou aangevoerde bewijsstukken beslist je mentor of een
competentie wel of niet als voldaan afgetekend wordt. Is de bewijsvoering
onvoldoende, dan betekent dit dat de competentie niet afgetekend wordt en dat
je voor betere bewijsvoering dient te zorgen, waaruit blijkt dat je de
competentie daadwerkelijk bezit.
Tip: Zorg dat alle bewijsvoeringen genummerd zijn, zodat je makkelijk
kunt verwijzen naar het betreffende bewijsstuk. Wanneer een bewijsstuk niet in
je map past, zorg dan dat het voor je coach en bedrijfsbegeleider duidelijk is
waar het bewijsstuk te verkrijgen is.
3. Reflectie: Tijdens de opleiding wordt regelmatig
gereflecteerd, d.w.z. teruggekeken, op jouw leerproces. Ieder half jaar kijk je
terug op wat je in de afgelopen periode hebt uitgevoerd en geef je aan in
hoeverre jij de competentie onder de knie hebt. Reflectie als onderdeel van de
opleiding leidt tot een wezenlijke verdieping van de professionele vorming van
de individuele student. Er wordt steeds meer verwacht dat mensen autonoom
reageren en in staat zijn tot zelfregie. De zelfsturende competentie sluit hier
mooi bij aan. Mensen worden geacht bewust keuzes te maken en hun beweegredenen
onder woorden te kunnen brengen.
Reflectie als houding is het durven en jezelf aanzetten tot het doen, want
reflecteren is in het begin onwennig en gaat niet vanzelfsprekend. Reflectie
wordt de basiscompetentie van alle competenties genoemd. Zonder reflectie is
maar een beperkte ontwikkeling mogelijk, je trekt immers geen conclusies uit
ervaringen die je weer inzet in nieuwe situaties. Daarom wordt reflecteren,
alleen of met anderen, als een onderdeel van iemands functioneren gezien. Het
reflectieverslag is dan ook een vast onderdeel van het portfolio.
4. Zelfassessment/ beoordeling: Je vult per competentie een assessmentformulier in. Hierbij geef je aan of je aan de criteria voldoet (waarom wel/ niet). De beoordeling van de mentor vindt plaats aan de hand van het ingevulde assessmentformulier en het bewijsmateriaal dat je hebt verzameld.
In de bijlagen is ruimte om documenten te verzamelen van bijvoorbeeld voortgangsgesprekken, tentamenresultaten en eerder behaalde diploma’s en certificaten. Verder kan je onder dit tabblad producten kwijt waarvan je vindt dat deze van belang zijn voor in het portfolio. Bijvoorbeeld urenverantwoording, maandstaten, cijferlijsten en beoordelingen van het bedrijf.
Coaching
Iedere student heeft een mentor. De belangrijkste taak van de mentor is jou coachen bij het managen van je leerproces en bij het ontwikkelen van jouw competenties. Wij verwachten dat je in de loop van de opleiding een professionele werkhouding ontwikkelt. Deze houding zou je kunnen aanduiden als zelfmanagement (competentie Z1: zelfsturend leren en werken). Dat wil zeggen dat je in toenemende mate zelfstandig en zelfverantwoordelijk studeert en je leer- en ontwikkelingsproces zelf stuurt.
In het tweede en derde leerjaar voer je op school ieder half jaar voortgangs- en functioneringsgespreken samen met jouw mentor. Met zijn tweeën spreken jullie het portfolio door (inclusief gevolgde competentieplannen, aanwezige bewijsvoering en reflectieverslagen die je hebt geschreven). Aan de hand van het gesprek stel je nieuwe competentieplannen op voor het volgende semester. Deze gesprekken vinden veelal plaats op de academie.
Ter voorbereiding op het gesprek dien je het portfolio op orde te hebben. Houd in de gaten dat je mentor vooraf aan het gesprek de mogelijkheid moet hebben om het portfolio kritisch te bekijken. Dit betekent dus dat het portfolio een week voor het gesprek gereed is.
Tabel 3 Mentorgesprekken
|
|
Data |
Onderwerpen |
|
tweede leerjaar |
September/ oktober |
Kennismaking/ 0-meting |
|
Januari |
Functioneren & beoordeling |
|
|
Juni |
Functioneren & beoordeling |
|
|
derde leerjaar |
Januari |
Functioneren & beoordeling |
|
Juni |
Functioneren & beoordeling |
Als deeltijdstudent ben je actief bezig met je competentieontwikkeling. Dit gebeurt zowel op school als in de werkpraktijk. Jij maakt een leerproces door tijdens een bepaalde periode (de deeltijdopleiding) en het is aan jou om de resultaten van dit leerproces zichtbaar te maken.
Gedurende het tweede en derde leerjaar ben je met het portfolio bezig, met als doel het zichtbaar maken wat je tijdens je studie en werkzaamheden leert en hoe je persoonlijke ontwikkeling verbetert. Dit is met name van belang, omdat een groot deel van je studie ‘buiten’ de opleiding plaatsvindt. Door middel van het portfolio kan de opleiding een goed beeld krijgen van jouw prestaties, vooruitgang, verbeterpunten en ontwikkeling.
In een voortgangs- en functioneringsgesprek word je beoordeeld op jouw competentie-ontwikkeling. Hierbij is het portfolio voor de mentor een belangrijk instrument om de aard van de praktijksituatie, de praktijkwerkzaamheden en jouw individuele ontwikkeling (tussentijds) te beoordelen.
Je hebt recht op studiepunten wanneer je hebt bewezen over een aantal competenties te beschikken. De bewijslast is opgenomen in het portfolio en wordt door de mentor beoordeeld. Deze studiepunten worden echter pas toegekend als je mentor het portfolio in zijn geheel heeft goedgekeurd. Schematisch ziet de gehele procedure er als volgt uit:
----- De beginsituatie
-------------------------------------------------------------------------
----- Het persoonlijk ontwikkelingsplan -------------------------------------------------------
----------------------------------------------------------------------- Bewijsvoering --------------------------------